Interview met Leonie Schipper-Willemse
Vier procent van de kinderen stottert. De kans om een stotterende leerling in de klas te hebben, is dus best groot. Waar moet je dan als leerkracht rekening mee houden? In aanloop naar Wereldstotterdag op 22 oktober, interviewde ik Leonie Schipper-Willemse. Leonie is logopedist-stottertherapeut bij Logopedie & Stottercentrum Zuid-West.

Stotteren is niet altijd hoorbaar
Wat gebeurt er eigenlijk als je stottert? Leonie legt uit: ‘Bij stotteren is er sprake van onvloeiend spreken, waarbij de spreker geen controle heeft over zijn spraak. Dat kan zich uiten in herhalingen, verlengingen of blokkades (zie kader). Mensen die stotteren reageren daarop vaak door extra hun best te doen, en dat kan leiden tot secundair gedrag. Secundair stottergedrag is wat je doet om een woord er makkelijker uit te krijgen of om er voor te zorgen dat je niet stottert. Denk bijvoorbeeld aan het maken van bijgeluiden, stopwoordjes gebruiken, stil worden, situaties vermijden, of een extra letter ervoor zeggen.’
| Herhaling: een klank of woorddeel wordt herhaald, da-da-da-dat klinkt zo. Verlenging: langer maken van een klank, bijvoorbeeld ‘maaaaaaag ik een snoepje?’ Blokkade: hoorbaar of onhoorbaar vastzitten op een woord, b……..ijvoorbeeld zo. |
Dit secundaire stottergedrag is volgens Leonie ook een belangrijk deel van stotteren, dus het gaat niet alleen om dat wat direct hoorbaar is. Soms hoor je zelfs niet eens dat iemand stottert, terwijl die persoon het zelf wel ervaart. Leonie: ‘Er kan dan sprake zijn van hele stille, korte blokkades. Of diegene is enorm goed in het vermijden van stotters, door andere woorden te gebruiken of zinnen te veranderen. Dan ís het stotteren er wel en deze mensen hebben er vaak ook veel last van omdat ze steeds moeten nadenken bij het spreken. Daarom zeg ik soms ook wel dat zwijgen de ernstigste vorm van stotteren is.’
Signaleren van stotteren
Bij veel jonge kinderen is er een periode waarin ze minder vloeiend spreken. Vaak gaat dit vanzelf over, maar niet altijd. Hoe weet je dan of het nodig is om actie te ondernemen? Volgens Leonie zijn er twee belangrijke redenen om een logopedist om advies te vragen: Als het kind er last van heeft, of als de ouders zich zorgen maken. Ouders kunnen bijvoorbeeld merken dat een kind minder gaat spreken. Leonie: ‘De logopedist kan dan onderzoek doen en adviseren over
‘De ernstigste vorm van stotteren is zwijgen’
de noodzaak van behandeling. Behandeling bij jonge kinderen is vooral gericht op wat ouders kunnen doen, dat is dus niet belastend voor het kind. Juist bij jonge kinderen is de kans op herstel het grootst, en is de therapie het minst belastend voor het kind. Door op jonge leeftijd te behandelen proberen we de verdere ontwikkeling van stotteren en secundair gedrag te voorkomen.’
Stottertherapie
Ongeveer 4% van de kinderen stottert en 1% van de volwassenen, dus niet bij iedereen zorgt therapie ervoor dat het stotteren verdwijnt. ‘Therapie is geen garantie op het stoppen van stotteren, maar de ervaren last kan wel kleiner worden’, legt Leonie uit. Ze verduidelijkt: ‘De therapie bij oudere kinderen en volwassenen is meer gericht op makkelijker omgaan met stotteren, waardoor het een zo klein mogelijke belemmering vormt. Als mensen zich vrij voelen om te spreken mét stotteren, dan kunnen ze ook leren om vloeiender te stotteren. Dus bij oudere kinderen en volwassenen is de behandeling niet alleen gericht op de vloeiendheid van het spreken zelf – de buitenkant van het spreken – maar ook op de binnenkant van het spreken: gedachten en gevoelens, en hoe je er mee omgaat.’
Er zijn verschillende visies op de behandeling van stotteren. Leonie: ‘Logopedisten werken volgens de richtlijn stotteren. Dat betekent dat we breder kijken dan alleen de vloeiendheid, we kijken bijvoorbeeld ook naar in stand houdende en versterkende factoren. Zo kunnen we maatwerk bieden.’ Niet elke logopedist is ook stottertherapeut, zoals Leonie. Ze legt het verschil uit: ‘Elke logopedist leert tijdens de opleiding de basis over stotteren. Een stottertherapeut heeft daarna nog een extra opleiding gedaan specifiek gericht op stotteren. Bovendien volgt hij of zij verplicht nascholing en behandelt een minimum aantal stottercliënten per jaar. Iedere logopedist mag stotteren behandelen, maar als zij niet genoeg hulp kan bieden zal ze doorverwijzen naar een stottertherapeut.’
Stotteren in de klas
Stotteren kan een grote invloed hebben op de schoolse ontwikkeling, maar dit verschilt heel erg per kind. Leonie: ‘Het kan een grote impact hebben op het plezier in spreken. De leerling voelt zich niet altijd vrij genoeg om een beurt te nemen of een spreekbeurt te houden, of om hardop te lezen in de klas. Ik had bijvoorbeeld een jongen in behandeling voor stotteren van wie ze op school dachten dat hij een stille verlegen jongen was. Toen hij meer leerde over zijn stotteren en zijn stotteren durfde te laten horen, bleek hij helemaal geen stille jongen te zijn maar juist iemand die graag kletst.’ Ze vervolgt: ‘Voor de leerkracht is het daarom belangrijk om in gesprek te gaan met het kind en de ouders. Bespreek wat het kind nodig heeft op het gebied van spreken en hoe de leerkracht de leerling kan helpen om te durven spreken. Probeer te voorkomen dat het een belemmering wordt.’
Ook overleg tussen de leerkracht en de stottertherapeut is belangrijk, ongeacht de groep waarin het kind zit, benadrukt Leonie: ‘Als stottertherapeut is het goed om te weten hoe een kind functioneert in de klas, om een volledig beeld te krijgen. Eventueel is een observatie in de klas ook mogelijk. Van daaruit kun je dan in gesprek gaan over wat het kind nodig heeft. Vaak is het hardop lezen een struggle, net als spreekbeurten en beurten in de klas. Dan is het goed om met de stottertherapeut af te stemmen wat je van het kind kunt vragen en hoe je als leerkracht de leerling kunt helpen. Deze samenwerking hoeft helemaal niet veel tijd te kosten, gemiddeld gaat het om twee telefoontjes per jaar, en soms een overleg op school.’
‘Maak van stotteren vooral geen taboe’
Leonie adviseert om het stotteren bespreekbaar te maken met de klas. ‘Dat kan bijvoorbeeld door er een spreekbeurt over te laten houden of een quiz te organiseren. De leerling en ik bereiden die dan samen voor, en tijdens de uitvoering ben ik aanwezig om vragen van de klas te beantwoorden. Als het stotteren open bespreekbaar is gaat de druk eraf. Bij hele jonge kinderen raad ik aan om de mogelijkheden te bespreken met de therapeut.’ Ook de leestoetsen vragen aandacht, geeft Leonie aan: ‘Vaak zie je dat de drie minuten toets moeilijk is voor kinderen die stotteren. Door de tijdsdruk en de spanning kan het stotteren versterkt worden. Dit maakt het lastig om een goed beeld te vormen van het leesniveau. Bespreek dan met het kind wat een goede aanpak is.’ Leonie pleit ervoor om in ieder geval de stopwatch weg te doen, en aan het kind te vertellen dat de stotters niet meetellen als fouten. ‘Als het echt lastig is voor de leerling dan kan er ook een alternatieve toets gedaan worden, zoals de CITO technisch lezen. Daarbij hoeft niet hardop gelezen te worden. Als het vanwege het stotteren onmogelijk is om een eerlijk beeld te krijgen van het leesniveau, zet het niveau dan niet in het rapport.’
Tips voor leerkrachten
Wat elke leerkracht echt moet weten volgens Leonie is hoe je stotteren kunt signaleren. ‘Leerkrachten moeten zich er bewust van zijn dat stotteren meer is dan de herhalingen. Op de website van het stotterfonds staan folders over stotteren voor leerkrachten, hier staat veel nuttige informatie in. Op diezelfde website staat ook een screeninglijst voor stotteren waar je de ouders naar kunt verwijzen. Als ouders die invullen komt er een advies uit of het zinvol is om een logopedist in te schakelen of niet.’ Ook noemt Leonie het belangrijk dat leerkrachten beseffen dat stotteren vaker voorkomt samen met problemen in de taalontwikkeling, een taalontwikkelingsstoornis (TOS) of juist bij een hele snelle taalontwikkeling. ‘Bij twijfel kan de leerkracht advies vragen aan een logopedist/stottertherapeut.’
Maar het allerbelangrijkste is dat leerkrachten stotteren bespreekbaar maken in de klas: ‘Maak van stotteren vooral geen taboe. Gelukkig weten we uit onderzoek dat kinderen die stotteren niet méér gepest worden dan andere kinderen, maar ook om pesten te voorkomen is het belangrijk om over stotteren te kunnen praten in de klas.’ Een mooie ingang voor een gesprek is het gebruik van boeken over stotteren. Hiervoor heeft Leonie tot slot nog een paar tips: ‘Het prentenboek Ik praat als een rivier van Jordan Scott heeft dit jaar een zilveren griffel gewonnen. Op Wereldstotterdag komt er een nieuw prentenboek uit: Help, mijn woorden blijven steken van Kaat Ponnet (auteur) en Sylvia Van den Brande (illustrator). De leesboeken: Dodo van Mohana van den Kroonenberg, en De jongen die iedereen laat lachen van Helen Rutter zijn geschikt voor oudere kinderen’.
